Welke regels gelden bij zwangerschaps- en bevallingsverlof?

Je moet minimaal drie weken voordat je het verlof in wilt laten gaan het verlof aanvragen bij je werkgever. Je werkgever heeft daarbij een verklaring van de verloskundige of arts nodig, waarin de vermoedelijke bevallingsdatum staat vermeld. Deze verklaring gaat naar het UWV dat de uitkering tijdens het verlof regelt.

Als zwangere werknemer heb je recht op minstens 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. De datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat, hangt af van de vermoedelijke bevallingsdatum. Voor meerlingen is het recht op zwangerschapsverlof en bevallingsverlof ook minstens 16 weken: het verlof is niet per kind. Vanaf zes weken, maar minimaal vier weken (28 dagen) vóór de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum mag het verlof opgenomen worden. Je kunt zelf bepalen op welke dag binnen deze periode je het verlof laat ingaan. De net bevallen werkneemster heeft altijd recht op minstens 10 weken verlof na de bevalling, ook al wordt de baby later geboren dan verwacht. Als je toch eerder aan de slag wil, dan mag dat pas 42 dagen na de bevallingsdatum. Je kan ook de laatste periode van het bevallingsverlof in delen opnemen. Het gaat dan om het verlof dat overblijft na 6 weken na de datum van de bevalling. Je kan dat gedeelte dan gespreid over een periode van maximaal 30 weken opnemen. Je vraagt dit dan uiterlijk 3 weken na het begin van het bevallingsverlof aan bij je werkgever, je werkgever moet dan binnen 2 weken reageren op het verzoek, wat hij alleen mag weigeren wanneer het bedrijf hierdoor ernstig in de problemen komt.

Tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof krijg je een uitkering ter hoogte van het salaris. De uitkering bedraagt maximaal 100% van het dagloon. Er is wel een maximum dagloon vastgesteld.